In de krant

Vandaag in de PZC:

Over Het Lam Gods, Jan van Scorel en de Dom.

Iedere zichzelf respecterende Utrechtse kunstliefhebber kent het verhaal: schilder Jan van Scorel ging in 1551 naar Gent om Van Eijcks ‘De aanbidding van het Lam Gods’ te restaureren en als kers op de taart schilderde hij in het centrale stuk, uit balorigheid, dichterlijke vrijheid óf omdat hij vond dat de hemel niet compleet was zónder, de Utrechtse Dom in het landschap.
Een mooi verhaal dat stamt uit de tijd van de laatste grote restauratie van Het Lam in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Destijds waren er al experts die vraagtekens zetten bij de waarheid ervan, maar ook toen al had men meer met een goed verhaal dan met de feiten. En zeg nou zelf, die Dom fleurt het schilderij helemaal op!

lam_gods_grt.jpg

Fast Forward naar 2019. In het onvolprezen Museum voor Schone Kunsten in Gent is men al enige tijd druk bezig met een nieuwe en ingrijpende restauratie van Het Lam. Het idee is om alle latere wijzigingen en vernissages te verwijderen zodat het weer wordt zoals Van Eijck het bedoelde in 1432. De eerste vrijgegeven beelden zijn indrukwekkend:

763

Afgelopen weekend was ik in het MSK waar de restauratie van Het Lam live te volgen is. Het middenpaneel stond tentoongesteld en tot mijn grote vreugde prijkte de Dom nog fier in het landschap. Hij was er nog. Wel vroeg ik me af of dit zo zou blijven: als hij er immers later is bijgeschilderd zou hij de restauratie niet overleven. En dat zou ik jammer vinden. Hierop heb ik een mail gestuurd naar het MSK waarin ik vroeg of de Dom gespaard zou blijven. Binnen een dag had ik een uitgebreid antwoord, tezamen met een flink artikel, van Hélène Dubois, leider van het hele restauratieproject.

Zij vertelde me dat de Dom al wás gerestaureerd.  Het verhaal over Van Scorel was volgens haar al lang afgedaan als een mythe (maar hardnekkig). Hiervoor waren altijd al twee redenen. In de eerste plaats is het helemaal niet vast te stellen dat Van Scorel zelf iets heeft geschilderd op Het Lam. Hij is mogelijk wel betrokken geweest bij de grote restauratieronde in de 16e eeuw maar meer valt er niet over te zeggen. Een behoorlijk plausibel tweede argument, dat ook in de jaren ’50 al bekend was maar wie weet genegeerd omdat het geen sappig verhaal opleverde, is dat Van Eijck zelve vaker de Dom heeft geschilderd. Bijvoorbeeld op ‘De Maagd van Kanselier Rolin’ (op de uitsnede vlak links boven het Kindeke).

domdom

En nu is er dus een derde, knock-down, argument: de latere verflaag is inmiddels al verwijderd en onder de laag uit de 16e eeuw kwam de oorspronkelijke toren tevoorschijn. Volgens mw. Dubois ‘veel fijner geschilderd, met zeer weinig schade’. De toren is dus geen toevoeging maar hoort bij het origineel. En dat kan natuurlijk prima, toen Het Lam rond 1430 geschilderd werd stond de Dom er al weer bijna veertig jaar. Beeld van de gerestaureerde toren heb ik nog niet, maar Utrecht kan rustig slapen. Hij staat er nog!

 

Nieuwe bundel!

 

TypischSicilie

PERSBERICHT

Op 29 september verschijnt bij Uitgeverij Vliedorp ‘Typisch Sicilië’, na ‘Tweelingsterren’, “Listeria’ en ‘Opgelapt Schilderwerk’ de vierde bundel van Peter Knipmeijer en zijn tweede met onvervalste light-verse.

De bundel ‘Typisch Sicilië’ bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een vakantieverslag en verhaalt op luchtige wijze van een vrolijk gezinstripje naar de Etna.

In het tweede deel van de bundel worden de belevenissen van Henk, een alleenstaande veertiger uit Retranchement, gevolgd. Hij gaat ook op reis en maakt meer mee dan hem lief is.

Beide cycli gedichten bestaan uit Ollekebollekes, de in 1974 door Drs. P in Nederland geïntroduceerde versvorm die door kenners wordt omschreven als één van de moeilijkste die er is.

Ivo de Wijs over ‘Typisch Sicilië’:
Ik ben verzot op die Knipmeijerdichtfabriek”

Drs. P over ‘Opgelapt Schilderwerk’:
Dit zijn duidelijke voorbeelden van wat een ollekebolleke behoort te zijn: verstechnisch (en taalkundig uiteraard) perfect, en dankzij het metrum melodieus – kortom onderhoudend en leerzaam.”

De bundel is vanaf de verschijningsdatum te koop voor €11,95. Bij voorintekening vóór de verschijningsdatum via pknipmeijer@hotmail.com echter voor €9,99.

Peter Knipmeijer (1970) woont in Terneuzen. Hij debuteerde in 2010. In 2011 werd hij 2e bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, in 2012 en 2013 gevolgd door een gedeelde 4e plaats. Knipmeijer was van 2012 tot en met 2017 een van de stadsdichters van Utrecht.

Uitgeverij Vliedorp is een klein bedrijf dat met liefde voor het vak boeken produceert. De nadruk ligt op het uitgeven van poëzie, maar ook romans en non-fictie behoren tot het fonds.

Inburgeren (2)

Toen ik onlangs een brood wilde kopen bij de bakker in Hulst vroeg de verkoopster of ik dikke of dunne sneden wilde. Toen ze de verwarring op mijn gezicht zag knikte ze begrijpend en zei: ‘Dikke sneden voor u. Dun is voor de Belgen’. Bij een volgend bezoek zag ik inderdaad dik en dun gesneden brood in de vitrine liggen. Verder gaat het inburgeren me prima af. Soms versta ik iemand niet meteen. Iets vaker zijn er woorden of uitdrukkingen die nét iets anders zijn of waar ik werkelijk nog nooit van gehoord heb, zoals

‘Stoefen’ (opscheppen)
‘Geropen’ (verleden tijd van roepen; roepen, roop, geropen. idem: vragen, vroog, gevrogen)
‘Op de kin kloppen’ (iets niet krijgen. Voorbeeld: als je dungesneden brood wil en het is op dan kun je op de kin kloppen)
‘Ommeduur’ (op den duur)
‘Ergens om gaan’ (iets gaan halen. ‘Ik ga even om dungesneden brood’)
‘Iets op iemand steken’ (iemand ergens de schuld van geven. ‘Het dikgesneden brood was op en dat stak ze op mij’)

Wat me echt bevreemdde was het woord ‘subiet’. In Utrecht betekent dat nu, meteen, stante pede etcetera. Hier betekent het ‘straks’. Een Vlaamse vertelde me dat het, afhankelijk van de intonatie, ook nog ‘liever niet’ kan betekenen.

Uitspraaktechnisch lijkt Zeeuws erg veel op Spakenburgs, dus echte spraakverwarring heb ik nog niet meegemaakt. Op de band met het Spakenburgs kom ik nog eens terug.

Nagelaten vertellingen

Vlak voor ik Utrecht verliet overleed mijn oude vriend Gerlof. Ik kende hem al jaren, vooraleerst van het terras van Café Springhaver. Hij was toen, ik gok zo rond 2003, al wat krakkemikkig en slecht ter been na een hersenbloeding een paar jaar ervoor. Maar we hadden, zoals dat heet, een klik. Gerlof was archeoloog, vertaler, een wandelend geschiedenisboek en een vat vol feiten over Utrecht. Daarnaast was hij ook een fervent vogelaar en een onuitputtelijke bron van, vaak dezelfde, zeker toen het wat minder ging, grappen en gedichten. Nadat ik hem verteld had dat ik ook gedichten schreef en wat aan hem had had voorgedragen begon elk gesprek gedurende een jaar of acht zo:

‘En, jongen, ben je al stadsdichter van Utrecht?’
‘Nee, Gerlof, nog steeds niet..’
‘Hm’

Dit duurde tot ik in 2012 toetrad tot het Utrechts Stadsdichtersgilde en me officieel stadsdichter van Utrecht mocht noemen.

‘En, jongen, ben je al stadsdichter van Utrecht?’
‘Jazeker!’
‘Hm’

Verder besteedde Gerlof er geen aandacht aan. Ik vermoedde dat hij  even niet helemaal bij was of zijn gehoorapparaat niet in had (wat hij vaak deed als het hem goed uitkwam).
De keer erna dat ik hem zag ging het als volgt:

‘En, jongen, ben je al Dichter des Vaderlands?’
‘Nee, Gerlof, nog niet..’
‘Hm’

Hij heeft de grap tot het laatst volgehouden.

 

 

 

 

 

 

Inburgeren

Gisteren was de laatste dag van de vakantie én de voorlaatste dag voor mijn nieuwe baan. Dat herdachten we met een drankje en een hapje in een fijn etablissement met uitzicht op de Westerschelde. Op de terugweg, vrolijk pratend over wat er allemaal komen gaat, klonk plots op de rotonde een flinke knal. We zagen een fietser door de lucht vliegen.
Dus wij rennen, 112 bellen en eerste hulp verlenen tot de ambulance kwam. En dat was niet geheel onnodig.

Alsof dat nog niet genoeg was vlogen ’s avonds de mereltjes uit en moesten we met gevaar voor eigen leven een woeste kat op oorlogspad vangen; het had er alle schijn van dat ze de verse, lauwwarme mereltjes een stuk smakelijker vond dan haar brokjes. Enfin, hulpverlener ben je 24 uur per dag, waar je ook bent. Dat blijkt maar weer.

merel

 

 

Waarheen, waarvoor?

Als je naar een nieuwe stad verhuist is het handig om snel de omgeving te leren kennen. In Terneuzen weet ik ondertussen al aardig de weg (al moet je me niet alleen door het sluizencomplex sturen) maar voor Zeeland in het algemeen ligt het nog wat lastiger. Nu sta ik niet bekend om mijn goede richtingsgevoel maar het  ligt heus niet alleen aan mij. Ik zal wat voorbeelden geven.

Laat ik beginnen met Saskia en Serge. Zij brachten in 1970 hun grootste hit, Zomer in Zeeland, uit. Een prachtig nummer maar verwarrend als je je topografisch wil verdiepen in de omgeving: in het eerste couplet zingen ze: ‘Ochtend in Zeeland, de zon van de zeekant’. En iedereen zingt dat al 47 jaar vrolijk mee. Terwijl volgens mij de zeekant in het westen te vinden is en de zon ’s morgens in het oosten. Verwarring alom dus!

Nog moeilijker vind ik de beide armen van de Schelde. Terneuzen ligt aan de (overigens prachtige) Westerschelde. Zoveel is zeker. Maar! De Oosterschelde ligt hier ten noorden van! Eigenlijk zijn het dus de Noorder- en de Zuiderschelde.

Tenslotte: vertrouw niemand (ook je TomTom niet) als je naar Schuddebeurs, Serooskerke of Driewegen wil reizen en de route wil bepalen. Er zijn in Zeeland namelijk twee Schuddebeurzen, twee Serooskerken en maar liefst drie Driewegens.

Voorlopig richt ik me op Terneuzen, want, zoals Pascal Jacobsen al zong: ‘Ik moet nergens anders zijn‘.